Begrippen

Voor studenten van de Master zijn een aantal begrippen van belang, die ook begrepen moeten worden om de studie goed te kunnen volgen.

Hieronder een selectie (volgorde is zonder betekenis). Als dat zo uitkwam wat bron betreft, is de definitie uit het Engels overgenomen.

Concepten

  • Attractoren – zie Repellors
  • Argumentatiestructuur (Toulmin)
  • Beschrijvende statistiek
  • Betrouwbaarheid en validiteit
  • Causaliteit
  • Centrumwaarden: gemiddelde, mediaan, modus
  • Curriculaire spinnenweb (curriculum samenhang)
  • Curriculum niveaus
  • Complex Dynamisch systeem (CDS) – een systeem waarin componenten voorkokmen die een relatie met elkaar hebben en elkaar daardoor (positief of negatief) beïnvloeden (past bij het ecologisch model van Bronfenbrenner). De omvang van het systeem is vrij te kiezen (door de componenten aan te wijzen): het kan het kind (leerling, student) zijn of een verzameling vaardigheden in één persoon. Een CDS kenmerkt zich door zelforganisatie en emergentie.
  • Convergerende evidentie
  • Deductie
  • Data-analyse technieken
  • Dataverzamelingstechnieken
  • Design (onderzoeksdesign)
  • Discussie
  • Dynamic Skills Theory (Vaardighedentheorie) – The dynamic systems approach in development starts with two principles: (1) Multiple characteristics of person and context collaborate to produce all aspects of behavior; and (2) variability in performance provides important information for understanding behavior and development. Taken together, these principles – person-in-context and variability-as-information – represent the backbone of dynamic systems theory.
  • Emergentie – gedrag of eigenschappen (of componenten) die ontstaan (emergeren) door de interactie tussen componenten in een complex dynamisch systeem (CDS). Begrip, kennis en vaardigheden ontstaan vanuit een leerproces in een leerling (= CDS).
  • Enquête
  • EPCK (zie ook PCK) – Expressed Pedagocial Content Knowlege, is het zichtbaar maken van PCK in  een leerling-leerkracht interactie systeem (CDS).
  • Equifinaliteit vs Multifinaliteit – bij equifinaliteit bereikt een leerproces een gelijk einde voor elke individu (is meestal niet het geval). Als een leerproces individuele eindresultaten haalt, die niet gelijk zijn aan elkaar, is er sprake van multifinaliteit (veel eindes).
  • Ergodiciteit – dat groepsdata dezelfde structuur hebben als data van een individu die op verschillende momenten gemeten zijn. Meestal is groepsdata niet-ergodisch met inidividuele data omdat groepsdata gemiddelden bevat die de individu-data niet ook zo bevat.
  • Experiment
  • Feedback coaching – gebruik van opgenomen lessen van een docent en op basis van de video feedback geven. Met een 3:1 positiviteit-ratio: drie keer een goed-moment feedback voor elk verbeter-moment feedback
  • Generaliseren vs. individualiseren
  • Grafieken en diagrammen
  • Hypothese, nulhypothese, alternatieve hypothese
  • Idiosyncratic – aparte, typische, excentrieke eigenschap aan een persoon, een proces of aan iets. Kan onderzocht worden omdat het waarneembaar is.
  • Inductie
  • Interviewen
  • Iterativiteit – eigenschap van een systeem waarbij de uitkomst van een stap (bepaald moment) de procesgang van een volgende stap (moment) beïnvloed. Dit is een onderdeel van de zelforganisatie van een CDS.
  • Kwalitatieve analyse
  • Kwalitatieve data
  • Kwantitatieve analyse
  • Kwantitatieve data
  • Leerroute / Leertraject
  • Likertschaal
  • Literatuuronderzoek
  • Logica en argumentatie
  • Meetniveau data – nominaal, ordinaal, interval, ratio.
  • Methodologie
  • Microgenetic onderzoek – (a.k.a. microgenetic method) is a scientific method in which the same setting is studied repeatedly in order to observe change in detail. In contrast to cross-sectional and longitudinal designs, which provide broad outlines of the process of change, microgenetic designs provide an in-depth analysis of the behavior of the system while it is changing.
  • Modellen
  • Nominaal, Ordinaal, Ratio, Interval
  • Nulmeting
  • Observeren
  • Onderzoekende leraar
  • Onderzoekscyclus (kwaliteitszorg)
  • Onderzoeksplan
  • Ontwerpcyclus
  • Operationalisatie
  • Pedagogisch-didactische Strategie – daar zijn er drie van: 1. vragen stellen; 2. werken met empirische cyclus; 3. scaffolding.
  • Pedagogische inhoudskennis (PCK – Pedagocial Content Knowledge) – houdt in dat de leerkracht inzicht heeft in de manieren waarop leerlingen inhoud (of ook wel: content of kennis) begrijpen en kennis heeft van docentactiviteiten waarmee de stof begrijpelijk gemaakt wordt. (zie ook EPCK)
  • Perturbation (verstoring) – een actie of gebeurtenis die een complex dynamisch systeem (CDS) dat in een attractorstaat verkeert, daaruit dwingt en of in beweging brengt of naar een andere attractorstaat dwingt. Hoort bij attractor/repellor.
  • Posttest
  • Praktijk(gericht) onderzoek – onderzoek waarvan de vraagstelling (praktijkvraag) wordt ingegeven door de beroepspraktijk en waarvan de opgedane kennis direct bij kan dragen aan die beroepspraktijk. Ook: niet-wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast: de rol van onderzoeker valt samen met de rol van professional (en is dan – deels – de onderzochte)
  • Praktijkvraag – kwestie in de praktijk van het onderwijs geven/verzorgen waar een discrepantie zichtbaar is tussen wat wenselijk is en wat er werkelijk plaatsvind, waarbij niet duidelijk is hoe die discrepantie op te lossen. Kan op micro- (klaslokaal); meso- (onderwijsorganisatie) of macro-niveau (maatschappij) slaan.
  • Pretest
  • Repellors en Attractoren
  • Representativiteit
  • State Space Grid (SSG) – matrix van twee variabelen in de tijd, die regelmatig gemeten worden, waarbij de verhouding tussen beide variabelen de plaats in de matrix aangeeft. Door de momenten te verbinden, wordt er een tijdgebonden ontwikkelpad zichtbaar. State space grids were developed by Marc Lewis and colleagues (Lewis, Lamey & Douglas, 1999) as a way to represent synchronous ordinal time series on a 2-D grid. Timesampling (vast moment) is de duur gelijk, eventsampling is duur getoond in dikte bolletjes.
  • Statistische termen (gemiddelde, mediaan, SD, SE, regressie, correlatie etc.)
  • Statistische tests: T-test, ANOVA, Chi- kwadraat, Monte Carlo, etc
  • Steekproef (grootte, populatie, etc.)
  • Steekproeven
  • Symbolen in de wetenschap (n, N, t, etc.)
  • Toetsende statistiek
  • Triangulatie
  • Typen onderzoek
  • Variabelen/interactie/codeboek
  • Variabiliteit – ook wel intra-individuele variabiliteit – de waarneming dat leren niet alleen maar vooruit gaat, maar met sprongen, terugvallen en stilstand. Dit levert een grillig verloop van het ontwikkelpad op.
  • Variantie
  • Variatie
  • Vraagstelling
  • Zelforganisatie – eigenschap van een CDS waarin de interactie tussen de componenten de drijfveer voor veranderen/ontwikkelen vormen. Meestal richting een atractor en weggaand van een repellor.s
  • Zone van naaste ontwikkeling – is het verschil tussen wat een leerling zonder hulp kan doen en wat de leerling met hulp kan doen.

Vaardigheden

  • Conclusies trekken (ook hypothesetoetsing)
  • Onderwijs ontwerpen
  • Onderzoek ontwerpen
  • Onderzoeksvraag formuleren
  • Presenteren
  • Publicaties lezen/beoordelen
  • Rapporteren
  • Schrijven
  • Uitvoering onderzoek wpo